Inleidende teksten met suggesties en overwegingen over kwalitatieve onderzoekmethoden

Paul ten Have©


ETNOGRAFIE


In vele opzicht kun je de etnografie als een basisvorm van kwalitatief sociaal onderzoek beschouwen. De term etnografie verwijst naar de beschrijvende studie van volken. In algemene zin gebruik ik deze term voor de beschrijvende studie van de leefwijzen van menselijke collectiviteiten, of dit nu stammen of volken zijn, zoals in de Antropologie, of deel-collectiviteiten, zoals een beroepsgroep, de bewoners van een gesloten inrichting, of een bepaalde leefsfeer binnen een grote stad. Het uitgangspunt van zulke studie is het idee dat zo'n (deel-)collectiviteit tot op zekere hoogte in een eigen wereld leeft, die men alleen goed kan leren kennen door een beschrijving van binnen uit, of ten minste op basis van een grondige kennismaking met de dagelijkse praktijk van de te beschrijven levenswijze. In de oudere antropologie kreeg dit ideaal de vorm van 'een jaar wonen' met de mensen die men wilde bestuderen: hun taal leren, hun jaarcyclus een keer meemaken, hen vergezellen bij het werk en bij feesten, en veel met hen praten. Zo'n werkwijze bleek ook buiten de antropologie bruikbaar, met name bij die varianten binnen de sociologie die de aandacht richten op de studie van het dagelijks leven van relatief afgesloten of onbekende groepen binnen de eigen samenleving en die welke een indringende kennisname van de eigen visie en/of werkwijze van mensen bepleiten.

Een improviserende werkwijze

Eigenlijk is de etnografische manier om kennis te verwerven een variant op alledaagse manieren iets te weten te komen van het leven van andere mensen, al eeuwen lang door reizigers en spionnen beoefend, een mengsel van kijken naar, meedoen en praten met de anderen. Zo'n werkwijze vergt improviseren, elke gelegenheid die zich voordoet gebruiken, enerzijds meedoen, anderzijds waarnemen; vandaar de term participerende observatie die er vaak voor gebruikt wordt. Ook de term field research wordt gebruikt om aan te geven dat je dit onderzoek niet achter je bureau maar in het veld doet. De improviserende combinatie van methoden vinden we terug in een van de bekendste definities van participerende observatie:
..it refers to a characteristic blend or combination of methods and techniques that is employed in studying certain types of subject matter: primitive societies, deviant subcultures, complex organizations .., social movements, communities, and informal groups .. This characteristic blend of techniques .. involves some amount of genuinely social interaction in the field with the subjects of the study, some direct observation of relevant events, some formal and a great deal of informal interviewing, some systematic counting, some collection of documents and artifacts, and open-endedness in the direction the study takes.
McCall & Simmons (1969):1
In de praktijk wordt niet elk onderdeel van die combinatie altijd gebruikt. Soms ligt de nadruk meer op de observatie, soms meer op het interviewen. Veel kwalitatief onderzoek vindt zelfs in hoofdzaak op basis van interviews plaats. Het verdient echter aanbeveling om steeds te overwegen of het zinvol is verschillende methoden te combineren, omdat ze elk hun sterkere en zwakkere punten hebben en ze elkaar dus voor bepaalde doeleinden goed kunnen aanvullen. Zo kun je in een officieel interview veel gerichter de gewenste gegevens verzamelen dan door zo maar wat rond te hangen en te kletsen, maar aan de andere kant kan zo'n 'achteloze' manier je juist informatie verschaffen waarvan je anders niet eens het bestaan of de relevantie zou kunnen vermoeden. Ook zullen de mensen je in een interview veel meer vertrouwen als ze je al langere tijd kennen en je weet dan ook beter wat je moet vragen en waar de antwoorden eigenlijk op slaan. Ten slotte is een ruimere etnografische manier van gegevens verzamelen heel geschikt om als inspiratiebron te dienen voor meer gerichte vormen van materiaalverzameling, zoals het interview, en om je een context te verschaffen waarin je zulk materiaal realistischer kunt interpreteren.

Het is nu meer dan 20 jaar geleden dat McCall en Simmons hun definitie publiceerden. Sindsdien hebben zich op dit terrein verschillende belangrijke veranderingen voltrokken. Eén daarvan is dat het door hen genoemde repertoire van methoden is uitgebreid met het maken van opnamen (foto's, audio of video) van episodes van sociaal leven, of van interviews. Dat maakt een veel gedetailleerder studie van het sociale leven mogelijk dan wanneer men zich beperkt tot de meer alledaagse methoden om gegevens vast te leggen die men in het oudere veldwerk hanteerde, het maken van aantekeningen tijdens of zo snel mogelijk na de desbetreffende episode. Verder hebben verschillende theoretische en methodologische ontwikkelingen, die deels al eerder in gang gezet waren, zich verder binnen het veldonderzoek verbreid. Ik ga daar later uitvoeriger op in.

Verder valt op dat etnografisch onderzoek wordt gehanteerd binnen nogal uiteenlopende wetenschappelijke kaders, wat zijn repercussies heeft gehad op de stijl van werken en de rechtvaardigingen die onderzoekers daarvan geven. Een belangrijk aspect hiervan is een sterk toegenomen aandacht voor morele en politieke aspecten van etnografie in het algemeen en van 'etnografische representatie', oftewel verslaggeving, in het bijzonder (vgl. Van Maanen, 1995). In de oudere literatuur over etnografie, en in de oudere etnografieën zelf, maakte men vooral een probleem van 'relationele' aspecten, toegang verwerven en vertrouwen wekken (zie afzonderlijke tekst), terwijl de geldigheid van de waarnemingen en de objectiviteit van de verwerking en verslaggeving daarvan eigenlijk als vanzelfsprekend werd behandeld. De 'autoriteit' van de etnograaf, die veelal schreef over het leven van 'lager geplaatsten', zoals ongeciviliseerde stammen, mensen met een afwijkende levensstijl, lagere personeelsleden in een organisatie, stond niet of nauwelijks ter discussie. In de huidige tijd is die vanzelfsprekendheid zowel praktisch-technisch, als politiek en moreel doorbroken (vgl. Denzin, Lincoln 1994). Er wordt zelfs gesproken van een representatiecrisis. Een van de consequenties daarvan is dat de onderzoeker zowel zijn eigen betoog, als de verhalen van de onderzochten waarop hij zich baseert, moet representeren en rechtvaardigen.

Het basis-idee van etnografie is dus dat groepen samenlevende mensen al doende een 'eigen' levenswijze en een 'eigen' visie ontwikkelen, die voor een ander, zoals een onderzoeker, alleen maar inzichtelijk kan worden als deze zich tot op zekere hoogte verplaatst in hun leven. Dat vergt een zekere toenadering tussen onderzoeker en onderzochten, het aangaan van een veelal tijdelijke maar toch ook wel intensieve relatie van bijzondere aard. De onderzochten moeten de onderzoeker toelaten in hun wereld, niet alleen fysiek, maar ook sociaal en communicatief. En de onderzoeker moet hen en hun wereld open en met een zeker respect tegemoet treden. Maar tegelijkertijd 'verplaatst' de onderzoeker zich niet volledig naar de onderzochte groep, hij of zij blijft ook tot op zekere hoogte verbonden met de eigen achtergrond, en met name met het wetenschappelijk bedrijf. Die dubbelheid schept bijzondere problemen. Zo zit er aan etnografie dus zowel een relationele als een cognitieve kant, en beide kanten kennen hun dubbelzinnigheden en ambivalenties. Ik zal in het volgende vooral ingaan op de cognitieve kanten, terwijl ik de relationele aspecten in een afzonderlijke tekst aan de orde stel.

Emic versus etic

Het gaat er in etnografisch onderzoek dus om de eigenschappen van levensvormen van binnenuit te ontdekken, via een redelijke mate van intersubjectiviteit met de onderzochten. Betekenissen 'van binnenuit' worden soms 'emic', genoemd; betekenissen 'van buitenaf' heten dan 'etic'.

Het contrastpaar emic tegenover etic is afkomstig uit de linguïstische antropologie, waar het is geïntroduceerd door Kenneth Pike in de volgende woorden:

It proves convenient - though partially arbitrary - to describe behavior from two different standpoints, which lead to results which shade into one another. The etic viewpoint studies behavior as from outside of a particular system, and as an essential initial approach to an alien system. The emic viewpoint results from studying behavior as from inside the system.
Pike (1967): 37
De termen etic en emic zijn daarbij ontworpen naar analogie met 'fonetisch' en 'fonemisch', maar hebben een ruimere strekking. Etic categorieën zijn in principe universeel relevant. Ze kunnen voorafgaand aan een specifieke analyse worden uitgewerkt, om vervolgens op afzonderlijke gevallen te worden toegepast. Emic categorieën, daarentegen, hebben betrekking op één specifieke cultuur en worden tijdens het onderzoek van die cultuur 'ontdekt'.
Descriptions or analyses from the etic standpoint are "alien" in view, with criteria external to the system. Emic descriptions provide an internal view, with criteria chosen from within the system. They represent to us the view of one familiar with the system and who knows how to function within it himself.
Pike (1967): 38
Bij uitbreiding kan men spreken van een emic tegenover een etic werkelijkheid of wereld, die van de onderzochten of die van de onderzoeker. De traditionele taak van de etnograaf is om door te dringen tot een emic wereld, die van binnenuit te leren kennen en begrijpen, om dan vervolgens een etic vertaling daarvan aan een academisch publiek te presenteren.

Actuele toepassingen

Het emic/etic contrast is niet alleen relevant voor het onderzoek naar evident ándere samenlevingen, zoals in de antropologie, ook voor de studie van relatief afgesloten groepen binnen de eigen samenleving, zoals in volksbuurten (Whyte, 1955), en een afdeling van een psychiatrisch ziekenhuis (Goffman, 1961). Etnografisch getint onderzoek wordt tegenwoordig ook toegepast in situaties waarin het er om gaat bijzondere gedragingen in hun alledaagse context te bestuderen, bij voorbeeld in wetenschappelijke laboratoria, coordinatie centra, e.d.(zie b.v. Knorr-Cetina, 1983; Suchman, 1992). Als voorbeeld volgen hieronder enkele citaten besproken uit een recent overzichtsartikel van Jeanette Blomberg over etnografisch onderzoek op het terrein van HCI, wat staat voor Human-Computer Interaction.
The term ethnography refers both to the process of conducting field research and to the written text produced as a result. Ethnographic textual accounts reflect specific interpretive modes and analytic conventions which provide particular views of the social world. As employed in the HCI and system design communities, ethnography most often refers to an approach used to develop understandings of everyday work practices and technologies in use. While there is a great deal of variability subsumed within the practice of ethnography, most practitioners share a few basic presuppositions. These include: a commitment to studying activities in the "natural" settings in which they occur; an interest in developing detailed descriptions of the lived experience; a focus on what people actually do, not simply on their accounts of their behaviour; and a concern with understanding the relation of particular activities to the constellation of activities that characterize a setting.
Blomberg (1995): 175
en
Central to the practice of ethnography (..) is the view that it is difficult for individuals to articulate the tacit knowledge and understandings they have of familiar activities. Because of this, it is critical that the things people say about their own activities and about the activities of others be supplemented with firsthand observations of behaviour. It is equally important that these observations be made in the actual settings in which the activities typically occur since to remove an activity from its everyday setting is to alter it in fundamental ways (..). It follows, therefore, that there is a strong conviction that field studies form the basis of an ethnographic investigation. Ethnography at its best provides more than detailed description of everyday activities. It focuses an interpretive light on those activities, making visible the lived experience of distant and not-so-distant others
 Blomberg (1995): 176-7
Ook in specialistische praktijken ontwikkelen groepen mensen dus hun 'eigen' emic wereld die ze vaak niet eens in zoveel woorden etic tot uitdrukking zouden kunnen brengen. Voor ontwerpers van computer systemen kan het daarom van bijzonder belang zijn om toegang te krijgen tot de emic wereld van die al doende ontwikkelde specialistische praktijken waarin die systemen gebruikt worden. Ook als daarin vooral gebruik wordt gemaakt van video-opnamen, blijft een 'etnografische' basiskennis nodig om de activiteiten die zijn opgenomen in hun praktische context te kunnen volgen.

Zie ook het volgende citaten van onderzoekers die zulke specialistische praktijken en detail onderzocht hebben, zij het dat bij het de etnografie vooral als achtergrond bij de analyse van opnamemateriaal gebruikt wordt.

As studies of talk and interaction have become increasingly interested in more specialized forms of human activities, often arising within particular organizational or institutional domains, it has been recognized that it is necessary to augment recorded materials with extensive fieldwork. So, for example, our own studies of general practice involved a long period of non-participant observation before any recording took place in order to begin to assemble a sense of the organization of certain specialized tasks such as diagnosis, treatment and using medical records. [cursivering toegevoegd]
Heath (1997): 190
waaraan hij toevoegt:
With the emergence of more wide-ranging studies of workplace interaction, especially those concerned with the use of tools and artefacts in complex technological environments such as control rooms and emergency centre, we have witnessed an increasing commitment to undertaking wide-ranging fieldwork alongside more focussed interaction analyses (Whalen, 1995). (...) It is not unusual in such studies to delay gathering recorded materials until researchers have a passing understanding of the activities in question and the various tools and technologies which feature in the accomplishment of even the more mundane activities in such settings.
Heath (1997): 190-1(7)
En de door hem genoemde Jack Whalen schrijft:
My resources for developing this analysis include extensive field observations undertaken while working as a call-taker and dispatcher at a police and fire communications facility (...) for fifteen months, as well as video recordings of call-takers at work that were collected at (..). The discussion is also informed by field work at other public safety dispatch facilities.
Whalen (1995): 187
Ten slotte geef ik een citaat uit een recent artikel waarin verslag gedaan wordt van een etnografisch onderzoek naar het werk van software engineers, in dit geval de mensen die de programma's schrijven voor kopieerapparaten. Hierbij werd, over een periode van vijf jaar, het werk van vier verschillende projecteams gevolgd, en wel op de wijze die als volgt wordt beschreven:
We spent a considerable amount of time at the site, and used a variety of familiar field methods of recording the work we observed. We worked alongside the engineers: sitting with them, taking notes, tape-recording their conversations and video-taping them while they worked. We also had them walk through and explain what they were doing, and we prepared ourselves by learning the methodologies they were using. In the case of the software engineers, we learned as much as we could about their programming languages. We worked with different groups within the projects, and shadowed individuals as they carried out their daily routines. We attended the full range of meetings in which they took part, recording and taking notes of their deliberations. We also interviewed the engineers, the project leaders, the project managers, and the department managers. In addition, we interviewed professional engineers [who] were not involved in the projects. Lastly, we talked to notable academics in the relevant fields, and read the major textbooks they recommended.
Button & Sharrock (1998): 77
Hoewel etnografie dus een al wat oudere onderzoeksvorm is, blijft het een werkwijze die ook voor onderzoek van de meest actuele situaties van belang kan blijken te zijn, hetzij op zich, hetzij als aanvulling op andere onderzoeksvormen, en dan vaak om de betekenis van het materiaal van die andere werkwijzen goed in zijn context te kunnen vaststellen.

De literatuur over etnografisch veldwerk

Hoewel etnografie in eerste instantie heel simpel lijkt: een beetje meedoen, goed kijken en luisteren, en wat met de mensen kletsen, komt er in de praktijk toch heel wat bij kijken. Er is dan ook een uitgebreide bibliotheek over allerlei aspecten van 'veldonderzoek' of 'participerende observatie' (o.a. Bogdan & Taylor, 1975; Douglas, 1976; Hammersley & Atkinson, 1983; Ten Have, 1977; Lofland & Lofland, 1984; McCall & Simmons, 1969; Schatzman & Strauss, 1973). Als je kijkt wat daarin staat over het observeren van wat er in het veld plaatsvindt, dan is dat eigenlijk niet zo erg veel. De meeste aandacht gaat uit naar de relationele kant van het werk, hoe ergens 'binnen' te komen (access, entrée), hoe vruchtbare relaties met informanten op te bouwen en hoe te voorkomen dat je er voortijdig uitgegooid wordt. Verder wordt er geschreven over de selectie van informatie en over het belang van het maken van notities van wat je waarneemt en hoe je dat doet. Ik wil hier vooral bij het laatste aansluiten, omdat ik het vastleggen van je waarnemingen, ervaringen en overwegingen als het eigenlijke 'productieproces' in veldwerk beschouw.

Veldwerkverslagen

Over het maken van veldwerknotities kun je in de literatuur heel wat verstandige raad aantreffen. Ik gebruik hier vooral het werk van Lofland & Lofland (1984: 46 ev.), en enkele ideeën uit Schatzman & Strauss (1973; zie ook Emerson, Fretz & Shaw, 1995). Het materiaal voor veldwerkaantekeningen bestaat, volgens de Loflands, in de eerste plaats uit woorden en handelingen' wat mensen gezegd hebben en wat ze gedaan hebben. Verder denk ik dat in de tweede plaats observeerbare fysieke omstandigheden en gebeurtenissen genoemd moeten worden, terwijl ook de handelende personen op diverse manieren beschreven en getypeerd zullen moeten worden.

Je zult als onderzoeker de informatie die je waarneemt altijd en onvermijdelijk duiden in termen van de kennis die je al hebt, o.a. van de sociale omstandigheden van de waargenomen personen, wat allerlei 'woorden en handelingen' betekenen en wat de sociale betekenis is van de fysieke omgeving. Je zult nieuwe indrukken dus altijd en onvermijdelijk plaatsen in cognitieve, emotionele en morele kaders die je je al eigen gemaakt hebt, in het lopende onderzoek, maar ook in je daaraan voorafgaande leven. Je gaat 'vanzelfzwijgend' (een mooie term van Abram de Swaan) uit van je eigen vooronderstellingen over wat er aan de hand is, over wat je kunt verwachten en over wat allerlei zaken (woorden, gebaren, handelingen, etc.) waard zijn in de situatie waarin ze worden aangetroffen. De opdracht is natuurlijk om zulke eigen vooronderstellingen geleidelijk aan te vervangen door de interpretatiekaders die in het veld van onderzoek door de geobserveerden zelf gehanteerd worden, emic categorieën de plaats in te laten nemen van etic referentiekaders. Dat vergt een 'reflexieve' houding ten aanzien van je eigen stilzwijgende kennis en een bereidheid te leren van de natives. Dat begint al bij de eerste, meest voor de hand liggende beschrijvingen.

Het begin van veel observatiebeschrijvingen zal bestaan uit het typeren van de aanwezige personen, hun leeftijd en geslacht, hoe ze in algemeen-maatschappelijke of setting-specifieke zin aangeduid kunnen worden: 'de oude man', 'de conductrice'. Veelal heeft zo'n typering vérstrekkende implicaties in termen van veronderstelde competenties, rechten en plichten, of algemener: bij de typering te verwachten gedragingen. Het is goed aan te geven hoe je tot zo'n typering gekomen bent, uiterlijk (uniform), plaats waar men zich bevindt (achter de bar), bij het type horende handelingen (de pols voelen), en expliciet op welke kennis die berust. Je zult onvermijdelijk beginnen vanuit je eigen categoriseringssystemen (zie de WEB-tekst over Situaties),  maar je kunt er aan werken steeds meer inzicht te ontwikkelen in hoe betrokkenen zelf, emic, categoriseren.

De 'woorden' die je opvangt kun je citerend weergeven, maar vaak zul je complexen van woorden - zinnen, uitingen, tekstdelen en teksten - samenvatten. Dat deel van je werk is dus zeker onvermijdelijk selectief en interpreterend. In je notities moet je aangeven wat de 'interpretatieve status' van geciteerde woorden is. Voor 'handelingen' is dat ook nodig, maar nog veel moeilijker exact aan te geven. Vaak zul je er, als voorzichtig onderzoeker, toe neigen het optreden van mensen vooral als 'gedragingen' te willen beschrijven (vgl. Maso, 1987). Dat levert meestal nogal geforceerde behaviorized descriptions (Garfinkel, 1967) op. Alsof je je als observator verzet tegen wat je eigenlijk niet kunt laten: duiden, in een kader plaatsen, motieven toeschrijven. Ik denk dat je het beste kunt proberen meer 'letterlijke' beschrijvingen expliciet te verbinden met typeringen, categoriseringen, interpretatiekaders, om zo verantwoord (in meer dan één betekenis) duidend te werk te gaan.

Handelingen zijn geïnterpreteerde gedragingen, gedragingen waaraan een betekenis kan worden toegeschreven. Vaak doet men dat in termen van veronderstelde motieven, in de traditie van Max Weber. Dat levert echter aanzienlijke problemen op, m.n. vanwege de onachterhaalbaarheid en complexiteit van motieven, drijfveren, redenen, etc.. Een alternatieve methode is om gedragingen te interpreteren in termen van waar ze in hun natuurlijke omgeving voor gehouden zullen worden, c.q. geldig voor gehouden kunnen worden. Dat is dus niet een 'persoonlijke' interpretatie vanuit het zogenaamde 'perspectief van de actor' (bv. Blumer, 1969), maar een 'sociale', vanuit recipiënten en observators van die gedragingen. Het komt er op neer dat wat mensen doen of laten door mededeelnemers wordt gezien als gekozen uit een waaier van ter plekke openstaande mogelijkheden. Voor die keuze is men in principe verantwoordelijk, dat wil zeggen aansprakelijk en aanspreekbaar (accountable, Garfinkel, 1967). Het 'motief' van de handeling is dan het plausibele verhaal dat er over verteld zou kunnen worden, als het gevraagd werd. Het beste is dus om de gedragingen te beschrijven èn te interpreteren als handelingen, maar dat laatste dan wel zo expliciet mogelijk beredeneert.

Lofland en Lofland (1984: 50-1) wijzen er op dat de kwaliteit van de gegevens die je verzamelt, hun 'waarheidsgehalte', of het nu eigen waarnemingen of verslagen van informanten betreft, mede afhangt van allerlei omstandigheden waar je dus op moet letten en die je bij het maken van verslagen mede moet noteren (vgl. de eerder genoemde context-eis).

Ik neem hun lijstje in verkorte vorm over:

Dit zijn nogal alledaagse 'waarheidscriteria', maar daarom nog niet minder van belang. Het gaat er om het materiaal voor hun toepassing in de notities op te nemen.

Het maken van veldnotities is een noodzakelijk onderdeel van veldwerk als zodanig. De essentie van veldwerk is gelegen in de combinatie van waarnemen en schrijven, van kijken en luisteren aan de ene kant en het verwoorden en vastleggen van de resultaten daarvan aan de andere. Veel onderzoekers besteden aan beide aspecten ongeveer evenveel tijd.

Without continually writing down what has gone on, the observer is hardly in a better position to analyze and comprehend the workings of a world than are the members themselves. Writing, in the form of continued notes by which the past is retained in the present, is an absolutely necessary if not sufficient condition for comprehending the objects of observation. Aside from getting along in the setting, the fundamental concrete task of the observer is the taking of field notes. If you are not doing so, you might as well not be in the setting.
Lofland & Lofland (1984): 62-3
Hier volgt een overzicht van het proces van note taking aan de hand van de tekst van de Loflands (p. 63 ev.).

A. Mental Notes: het nadrukkelijk richten van de aandacht op dat wat je later zult moeten noteren, zoals de basis-gegevens van scènes en episodes en de opmerkelijke gebeurtenissen erin.

B. Jotted Notes: het maken van korte notities tijdens of onmiddellijk na observaties, enkele woorden of citaten als geheugensteun; zo onopvallend mogelijk. Soms is er gelegenheid voor wat uitgebreidere notities of om eerdere notities iets verder uit te werken.

C. Full Field Notes: zo snel mogelijk tot volledige verslagen uitgewerkte aantekeningen, die ook een jaar later nog begrijpelijk zijn; doe dit niet later dan de ochtend van de volgende dag. Nieuwe ervaringen verdringen de oude, daarom moeten de laatste eerst vastgelegd worden. Dat vergt tijd en persoonlijke discipline. Het schrijven zelf stimuleert het nadenken over de gebeurtenissen; ook de resultaten daarvan moeten genoteerd worden. Dicteren kan handig zijn voor het vastleggen, maar werkt minder stimulerend dan schrijven.

Het gaat dus om een chronologisch verslag van wat er in het veld gebeurd is en wat je als onderzoeker hebt ervaren: een doorlopende beschrijving van mensen, gebeurtenissen, wat je gehoord hebt, gesprekken van en met mensen in het veld, en ook beschrijvingen van de fysieke omgeving en veranderingen in een en ander. Twee basisregels zijn: 'wees concreet' en 'onderscheid woordelijke weergave van parafrase of benaderende herinnering'. Maak goed duidelijk van wie welke aanduidingen en duidingen afkomstig zijn en hoe die zijn waargenomen. Noteer ook eerder niet vermelde bijzonderheden waarvan de herinnering door de huidige gebeurtenissen is opgeroepen, in het huidige verslag. Ook analytische ideeën, vragen, etc. die opkomen bij het maken van het verslag worden in dat verslag genoteerd, zij het als zodanig gemarkeerd (b.v. als *TN*, Theoretische Notitie, of *MN*, Methodologische Notitie, waar ook zaken als methodologische twijfels en overwegingen onder kunnen vallen). Ook je eigen ervaringen als onderzoeker, je persoonlijke reacties, positieve en negatieve emoties, voorkeur en afkeer, moet je - gemarkeerd (bv. als *RN*, 'Reflexieve Notitie', Ten Have, 1977) - noteren.

Je kunt allerlei typografische trucjes gebruiken om de hoofdtekst, dat wat je waargenomen hebt of citeert, te onderscheiden van je interpretaties en beschouwingen. Je kunt beschrijvingen bij voorbeeld 'recht' afdrukken en interpretaties cursief (of tussen haakjes), terwijl je beschouwingen in afzonderlijke documenten opneemt, die je met hyperlinks met de hoofdtekst verbindt - maar die mogelijkheid is natuurlijk afhankelijk van je technische mogelijkheden.

Veldwerkverslagen zijn zeer uiteenlopend van stijl en omvang, afhankelijk van de voorkeur en mogelijkheden van de onderzoeker en de aard van het onderzoeksproject(zie: Emerson, Fretz & Shaw, 1995). De Loflands noemen enkele getypte pagina's per observatie-uur als een minimum. De verslagen zijn in essentie werkdocumenten die alleen voor de onderzoeker en teamgenoten bestemd zijn. Schrijf dus vrijuit, zonder al te veel zorg om maatstaven van taalverzorging en beleefdheid. Het gaat om een zo volledig, zorgvuldig en eerlijk mogelijk verslag als materiaal om verder mee te werken, niet om een publiek eindproduct.

D. Field Notes as Compulsion. Al doende moet het maken van veldwerkverslagen een soort innerlijke verplichting of dwang worden. Als iets is waargenomen of gedacht maar nog niet opgeschreven kan het verloren gaan. Pas als het opgeschreven is kan je dat niet meer gebeuren. Als je bij waarneming die noteer-impuls als een innerlijke noodzaak voelt ben je een veldonderzoeker geworden.

Latere fasen in het productieproces van een etnografie, met name de analyse en de rapportage, komen in andere teksten (AP, BMK en TN) aan de orde.


Verwijzingen

Blomberg, J.L. (1995) 'Ethnography: aligning field studies of work and system design'. In: A. Monk, N. Gilbert, eds. Perspectives on HCI: Diverse approaches. New York: Academic Press: 175-97

Blumer, H. (1969 ) Symbolic interactionism: perspective and method. Englewoo-Cliffs, N.J.: Prentice-Hall

Bogdan, R, S.J. Taylor (1975) Introduction to qualitative research methods: a phenomenological approach to the social sciences. New York: Wiley

Button, G., W. Sharrock  (1998) 'The organizational accountability of technological work', Social Studies of Science 28: 73-102.

Denzin, N.K., Y.S. Lincoln, eds. (1994) Handbook of qualitative research. Thousand Oaks: Sage

Douglas, J.D. (1976) Investigative social research: individual and team field research. London: Sage

Emerson, R.M., R.I. Fretz, L.L. Shaw (1995) Writing ethnographic field notes. Chicago: University of Chicago Press

Garfinkel, H. (1967) Studies in ethnomethodology. Englewood Cliffs, N.J.: PrenticeHall

Goffman, E. (1961 ) Asylums: essays on the social situation of mental patients and other inmates. Garden City, N.Y.: Doubleday (ook in Penguin)

Hammersley, M., P. Atkinson (1983) Ethnography: principles in practice. London: Tavistock

Have, P. ten (1977 ) Sociologisch veldonderzoek. Meppel: Boom

Heath, C. (1997) ‘The analysis of activities in face to face interaction using video'. In: D. Silverman, ed. Qualitative research: Theory, method and practice. London: Sage: 183-200

Knorr-Cetina, K.D. (1983) ‘The ethnographic study of scientific work: towards a constructivist interpretation of science'. In: K.D. Knorr-Cetina, M. Mulkay, eds. Science observed: perspectives on the social study of science. London: Sage: 115-40

Lofland, J., L.H. Lofland (1984) Analyzing social settings: a guide to qualitative observation and analysis. Sec.ed. Belmont, Cal.: Wadsworth

Maanen, J. Van, ed. (1995) Representation in ethnography. Thousand Oaks: Sage

McCall, G.J., J.L. Simmons (1969 ) Issues in participant observation: a text and reader. Reading, Mass.: Addison-Wesley

Maso, I. (1987) Kwalitatief onderzoek. Meppel: Boom

Pike, K. (1967) Language in relation to a unified theory of the structure of human behavior. The Hague: Mouton

Schatzman, L., A.L. Strauss (1973) Field research: strategies for a natural sociology. Englewood Cliffs, N.J.: Prentice-Hall

Suchman, L. (1992) ‘Technologies of accountability: of lizards and airplanes'. In: G. Button, ed. Technology in working order: studies of work, interaction and technology. London: Routledge: 113-26

Whyte, W.F. (1955) Street Corner Society: The Social Structure of an Italian Slum. Chicago: University of Chicago Press (Sec.Ed., oorspr. 1943)

Whalen, J. (1995) 'A technology of order production: Computer-aided dispatch in public safety communication'. In. P. ten Have & G. Psathas, eds. Situated order: Studies in the social organization of talk and embodied activities. Washington, D.C.: University Press of America: 187-230



Terug naar algemene beginpagina