Veldonderzoek is een merkwaardige en moeilijk te hanteren vorm van sociale omgang, zowel voor de onderzoeker als voor de onderzochten. Als onderzoeker doe je niet echt mee in het gebruikelijke sociale leven. Je doet een beetje alsof, je staat erbij en kijkt ernaar. Je vraagt veel, maar reageert niet echt op wat je verteld wordt. En zelf vertel je weinig. Daardoor maak je het gewone, de alledaagse gang van zaken en huiselijke opvattingen, problematisch. Zo'n manier van doen past niet in het gewone leven en jij zelf niet in de gebruikelijke categorieën. Als onderzoeker ben je marginaal in de groep die je onderzoekt. Je bent er tijdelijk en men kan vaak niet zonder meer dezelfde eisen aan je stellen, die men wel aan andere groepsleden stelt. Het doel van je aanwezigheid ligt buiten de gewone doelen van de groep. Je bent, zeker in het begin, ook niet goed op de hoogte van allerlei normen en vanzelfsprekendheden; die wil je juist leren kennen. Je identiteit wordt daarom vaak gemodelleerd naar die van andere marginale groepsleden: nieuwelingen, kinderen, onaangepasten, dwazen soms, leden die om de een of andere reden (nog) niet gewoon mee kunnen of willen doen.
Groepen reageren op dergelijke marginale leden meestal eerst met pogingen ze in te lijven en op te voeden; lukt dat niet dan volgt vaak een vorm van uitstoting. De inlijvingspogingen zijn voor jou als onderzoeker zeer leerzaam; je leert ervan wat 'lidmaatschap' in de desbetreffende groep inhoudt. Pogingen tot uitstoting zijn echter pijnlijk en meestal schadelijk voor het onderzoek. De neiging tot uitstoting zal niet in elke groep even sterk zijn. Sommige groepen zijn min of meer ingesteld op tijdelijke leden, zoals stagiaires, en er zijn ook verschillen in de toewijding die groepen van hun leden verwachten. De reacties op marginale, tijdelijke leden met een toewijding die elders ligt, variëren daarmee. Je aanwezigheid als onderzoeker wekt dus allerlei sociale processen op waar je rekening mee moet houden, om er van te leren, om ze te verdisconteren in de analyse en om dankzij en ondanks deze processen toch te 'overleven', redelijk functionerend in het veld te blijven zolang het onderzoek duurt.
Als onderzoeker heb je de medewerking van de onderzochten nodig; maar zij hebben jou meestal niet nodig. Dit schept problemen van reciprociteit. Voor-wat-hoort-wat overwegingen spelen in alle relaties een rol. Onderzoekers hebben, zeker op het eerste gezicht, weinig te bieden. Zij moeten het hebben van vrijwillige medewerking, waar weinig concreets tegenover staat. Veel literatuur over veldwerk wordt dan ook gevuld met tips voor de verwerving en instandhouding van die medewerking. Naast dit reciprociteitsprobleem speelt het verband dat men legt tussen kennis en kritiek, vragen stellen en wantrouwen, onthulling en ontluistering, een belangrijke rol bij weerstanden tegen onderzoek. En onderzoek wordt soms gezien als een vorm van exploitatie, waarop men afwijzend reageert: 'wij weigeren het om nog langer scriptievoer te leveren' en 'ja, ja, als ze hun titel gehaald hebben zie je ze niet meer'. Kortom, veldonderzoek geeft problemen van marginaliteit en reciprociteit.
Veldonderzoek, en kwalitatief onderzoek in het algemeen, wordt overwegend improviserend uitgevoerd, omdat die uitvoering afhangt van situationele, nog te verwerven kennis. Toch is het belangrijk om je al voor het eigenlijke begin ervan, voordat je het eerste contact in het veld aangaat, te bezinnen op wat je daar kunt verwachten. Je kunt bij dit soort onderzoek niet vooraf alle onderzoeksstappen tot in detail voorbereiden, maar je doet er wel goed aan de te nemen beslissingen voor zover mogelijk voor te bereiden door informatie te verzamelen, attent te zijn op te verwachten problemen en na te denken over alternatieve oplossingen.
Een eerste keuze is die van het thema van onderzoek, het motief, de probleemstelling. Soms weet je vrij precies wat je te weten wilt komen, maar vaak heb je niet veel meer dan een globale belangstelling voor een bepaald type sociaal leven. Het is, denk ik, ook zinvol om de thematiek van te voren niet té veel vast te leggen en je open te stellen voor wat zich in het veld voordoet, maar dat schept problemen in een wereld waar de nadruk zo zeer ligt op instrumentele planning en a priori vast te stellen procedures. Zowel de eventuele subsidiënten of opdrachtgevers als degenen die toestemming moeten geven of kunnen onthouden willen van te voren weten wat ze van het onderzoek kunnen verwachten. Het lijkt daarom verstandig al vrij snel een formule te ontwikkelen die enerzijds overtuigend duidelijk maakt wat je wilt en die anderzijds voldoende ruimte laat voor de vrije ontwikkeling van het onderzoek zelf (Zie verder onder 'presentatie'). Vaak kan het zin hebben af te spreken eerst een periode te reserveren voor een terreinverkenning, om pas daarna tot een concretisering van het thema over te gaan. Het is vanzelfsprekend dat de literatuur hierbij een nuttige functie kan vervullen.
Als je weet wat je zou willen onderzoeken, moet je beslissingen nemen over waar en hoe je dat wilt doen. Elk onderwerp vergt zijn eigen aanpak. Je zult een 'plaats' moeten selecteren waar het te bestuderen verschijnsel zich ook inderdaad in bestudeerbare vorm voordoet. Gezien de vele problemen die zich bij de verwerving van toegang kunnen voordoen is het goed om over verschillende alternatieve onderzoeksgebieden te beschikken. Nauw verbonden met de veldkeuze is de vraag naar de rol die je je voorneemt te kiezen, met name de vraag op je een min of meer verborgen onderzoek wil doen of dat je kiest voor open onderzoek. Deze keuze is buitengewoon belangrijk, heeft allerlei en vaak verstrekkende consequenties en verdient daarom een afzonderlijke behandeling.
Maar eerst iets meer over de veldkeuze. Het hangt sterk van de probleemstelling af of je relatief weinig, maar vaste onderzoeksrelaties nodig hebt of een veelheid van lossere en minder intensieve contacten. Het laatste geeft vaak minder toestemmingsproblemen, maar levert ook minder diepgaande informatie op. Of dat een bezwaar is hangt af van de onderwerpskeuze; voor bepaalde onderwerpen is het verzamelen van veel relatief 'oppervlakkige' episodes van meer belang dan het je grondig verdiepen in het leven van enkele informanten (de zgn. Hunt-And-Peck Ethnography; Schwartz & Jacobs, 1979). Verder is het organisatorisch verband waarin de onderzochten leven van groot belang. Het maakt veel verschil of het om een open scene gaat of om een onderdeel van een bureaucratische organisatie, om een sociale massabeweging of een naar binnen gekeerde sekte. Algemeen lijkt te gelden dat mensen, zo ze al toestemmen in onderzoek, de onderzoeker het liefst zien in een bij hen al bekende rol, terwijl de onderzoeker zich vaak zal willen verweren tegen het 'opgesloten' raken in zo'n rol. Als die bij voorbeeld impliceert dat je een concrete taak krijgt in de organisatie, dan ben je meteen beperkt in je bewegingsvrijheid, zowel fysiek als sociaal: met wie je mag spreken en wat je mag meemaken, welke opvattingen je geacht wordt te hebben en welke vragen je mag stellen. Ook zonder specifieke taak wordt je als onderzoeker in veel gevallen al zonder het te weten 'ingedeeld' in een lidmaatschapscategorie, b.v. iets in de 'sociale' sfeer. Onderzoekers zullen meestal weinig voelen voor zulke expliciete of impliciete roltoewijzingen, maar vaak zijn ze onvermijdelijk. Dan is het goed om een relatief marginale rol te kiezen, iets van leerling of stagiair, 'assistent van de gymleraar' zoals Goffman (1981) in zijn psychiatrisch ziekenhuis, bij voorkeur een rol ook met een grotere fysieke en sociale beweeglijkheid.
Eén aspect van de voorbereiding is dus dat je probeert je een beeld te vormen van rollen en relaties in de te onderzoeken organisatie of groep en dat je overweegt waar je je in dat weefsel in zou kunnen voegen, wat de voor- en nadelen van die 'plaatsen' zijn, zoals kans op toegang, tolerantie voor kennisverwerving en bewegingsvrijheid. Daarna kun je proberen toegang tot de plaats met de beste vooruitzichten te verwerven, de plaats die het beste uitzicht biedt op waardevolle gegevens in verhouding tot de nadelen en de te investeren moeite.
Een belangrijke aspect bij deze eerste schets van het beoogde veld is ook de politieke rol van verschillende typen informatie, in relatie tot het onderzoeksdoel. Vaak zullen sommige soorten informatie veel 'gevoeliger' liggen dan andere. Als men de indruk krijgt dat het onderzoek zulke gevoelige informatie 'naar buiten' zou kunnen brengen zal men zulk onderzoek eerder blokkeren dan wanneer het 'onschuldige' informatie betreft. Zo zijn veel instellingen geïnteresseerd in onderzoek naar (de achtergronden van) hun cliënten, maar zijn ze huiverig voor onderzoek gericht op hun eigen functioneren. Het lijkt goed hier rekening mee te houden en daarom moet je proberen je van te voren van zulke negatieve en positieve kennis-belangen op de hoogte te stellen.
Een onvermijdelijke paradox is dat je voor een succesvolle en soepele entree informatie nodig heeft die je later wel zult krijgen maar die je dan nog niet hebt. Een terreinverkenning via literatuur, documenten en derden kan materiaal voor een eerste indruk verschaffen die praktisch voldoende is voor een redelijke entree-benadering. Enkele belangrijke punten om op te letten zijn: de mogelijkheden om de gezochte informatie op te doen, de geschiktheid voor onderzoek, de sfeer en de dagelijkse routines, de in het veld heersende opinie over wetenschap en onderzoek, de te verwachten weerstanden, de voor de onderzochten meeste sprekende argumenten, de hiërarchische structuur van het veld en het informeel leiderschap ter plaatse, de actuele politieke situatie in het veld en de 'gevoelige plekken'. Doel van dit vooronderzoek is het verwerven van informatie voor een realistische planning, vooral van de entree en de presentatie. Daarnaast kan dit vooronderzoek ook gespreksstof opleveren en aanwijzingen voor de eerste contacten. En ten slotte zal ook die voor-informatie in de uiteindelijke analyse mede verwerkt moeten worden.
Veel aspirant-onderzoekers ziet er tegenop om hun bedoelingen aan onderzochten te openbaren. Ze vrezen dat de onderzochten een show zullen opvoeren en vinden het moeilijk om toestemming te vragen. Mogelijk hebben ze zelf twijfels over de legitimiteit van hun onderneming. Wat die show betreft geloof ik dat de meeste mensen zich vrij snel weer 'natuurlijk' gaan gedragen als de onderzoeker langdurig aanwezig is en zich bescheiden en tolerant opstelt. Trouwens, ook wat de mensen als show opvoeren is interessant en weerspiegelt iets van hun wereld.
Als je als onderzoeker eenmaal 'binnen' bent en men de tijd heeft gekregen aan het idee, aan jou en aan je bezigheden te wennen, dan blijken de - overigens begrijpelijke - weerstanden tegen het bekeken worden meestal sterk te verminderen. De meeste mensen praten na enige aarzeling graag over hun eigen leven. Als onderzoeker ben je een en al oor, heb je altijd tijd en geduld en spreek je niet te veel tegen; dat zijn voordelen die vele andere gesprekspartners missen. Veel onderzoekers spreken en schrijven met enige verbazing over de overvloed aan, vaak intieme en kwetsbaar makende informatie, die mensen verstrekken als de onderzoeker eenmaal hun vertrouwen gewonnen heeft. Met name als je je hebt doen kennen als discreet, als iemand die niets doorvertelt, zal men je graag in vertrouwen nemen en dingen laten zien of vertellen die men anders verborgen zou houden. Wat men dan wel (impliciet) verlangt is begrip voor het eigen optreden, ook als het in bepaalde opzichten niet in de haak is. Door een niet-oordelende reactie kun je ook als 'openlijke' onderzoeker proberen de public morality bias zo klein mogelijk te houden. Met die term duidt Johnson (1975: 140) de onvolledigheid van informatie aan die ontstaat doordat de onderzochten publiek afgekeurde handelingen - kleine en grotere fraude, het privé-gebruik van middelen van 'de zaak', of gewoon gemene streken - nalaten als de onderzoeker in de buurt is. Het lijkt onvermijdelijk dat de onderzochten hun optreden altijd enigszins censureren; mensen laten aan niemand 'alles' zien van hun leven. Douglas (1976) noemt in dit verband met name seksuele en financiële activiteiten. Maar men kan, ook in 'open' onderzoek, naar mijn overtuiging heel ver komen in termen van het benaderen van een all round beeld van een onderdeel van het sociale leven(2). En bovendien is het bij allerlei onderwerpen ook niet nodig om van allerlei zaken die mensen liever verborgen houden op de hoogte te raken. Kortom: streef in principe naar 'open' onderzoek.
Op dit ideaal van 'open' onderzoek valt wel het een en ander af te dingen. Ten eerste is de openheid nooit volledig. De toelichting op het onderzoek, waarover later meer, kán nooit volledig zijn en het lijkt ook niet verstandig om naar zo'n volledigheid te streven. Het is heel goed mogelijk dat onderzochten later zeggen dat ze nooit wisten dat dit of dat de bedoeling was. De onderzoeker beperkt zich meestal niet tot een beschrijving van een idealiserend perspectief op het leven van de onderzochten, zoals zij dat zelf misschien naar buiten gebracht zouden willen zien. Je wilt geen 'hofschilder' zijn, maar een 'realistisch' beeld schetsen. Maar zelfs als je geen 'schaduwpartijen' accentueert of verborgen praktijken onthult zal een gedistantieerd, wetenschappelijk perspectief het voor de onderzochten vanzelfsprekende in een 'vreemd' licht plaatsen. Vaak zal de koele, niet-excuserende toon, waarmee je alledaagse bezigheden en opvattingen en detail zult beschrijven worden, al uitgelegd kunnen worden als kritiek of ridiculisering. Meestal zullen de onderzochten dus achteraf iets hebben van 'ik heb niet geweten dat er dát uit zou komen'. Hartelijke aanvaarding van het onderzoek en het eindrapport is dus nauwelijks te verwachten.
Ten tweede is de tegenstelling open/verborgen ook niet zo absoluut omdat er vaak een soort tussenweg gevolgd wordt, bij voorbeeld een strategie van geleidelijke onthulling. Hierbij bouw je eerst vertrouwelijke contacten op, om pas later over onderzoek te gaan praten. Dit wordt vooral gedaan bij (half-) open scenes en bewegingen, maar soms ook wel in arbeidsorganisaties, e.d. Soms is de onderzoeker al vertrouwd met een setting voordat hij zelf op het idee van onderzoek komt. Eén van de problemen die zich bij deze strategie voordoet, is de beperking tot bepaalde rollen of identiteiten, als eerder besproken. Het is de vraag of je je daar in een later stadium in voldoende mate van zult kunnen losmaken, zowel voor jezelf als in de ogen van anderen. Een tweede probleem is dat zo'n overgang van gewoon lid of deelnemer naar onderzoeker een suggestie van onbetrouwbaarheid geeft. Of je de strategie nu - feitelijk of in de ogen van betrokkenen - bewust gehanteerd hebt of dat je echt pas later 'spontaan' op het idee van onderzoek bent gekomen, er is onvermijdelijk een tijd geweest dat je bezig was 'onderzoek' te overwegen, terwijl niemand dat wist. Dat roept bijna onvermijdelijk een zekere argwaan op ten aanzien van je huidige vertoonde of geclaimde intenties, of zelfs het gevoel misleid te zijn.
Het onderzoeken van een sociaal veld dat je al als deelnemer kent en waar je al als gewoon lid bekend bent betekent toch dat je een moeilijke onderzoeksvorm nog moeilijker maakt. De relationele, emotionele en cognitieve onbevangenheid die bij 'fris' onderzoek al zo moeilijk te bereiken of vast te houden valt (vgl. Geer in McCall & Simmons, 1969: 144 e.v.), moet hier als het ware nog achteraf verworven worden. Je moet 'afleren' wat je al wist en voelde, of dit in ieder geval met nieuwe en vreemde ogen gaan bekijken. Zo'n 'creatieve vervreemding' is beter te bereiken als je uit de aard der zaak al een identiteit als 'vreemdeling' of 'noviet' hebt. En ook de onbevangen 'projecties' van onderzochten op de onderzoekende vreemdeling, een soort Rorschach-effect, vinden bij echte nieuwelingen gemakkelijker plaats.
Een derde nuancering betreft de aard van het veld en van de onderzoeksrelaties. De voorkeur je zo veel mogelijk openlijk als onderzoeker te presenteren geldt in hoofdzaak situaties waarin je voor langere tijd in een relatief gesloten veld van beperkte omvang onderzoek doet. Voor andere situaties zijn genoemde argumenten vaak minder relevant. Ik kom daar op terug.
In sommige gevallen, waarin die argumenten wel opgaan, zal het voorkomen dat je voor de keuze staat: òf ik doe verborgen onderzoek, òf ik doe geen onderzoek (ten minste met dit onderwerp en hier in deze setting). Dat kan een reden zijn om te besluiten dan toch verborgen onderzoek te doen, maar ik blijft het een ethische en praktisch moeilijke zaak vinden. Elke onderzoeker zal dit zelf moeten beslissen. Als zo'n verborgen onderzoek later tot publicatie leidt zal dat de algemene weerstanden tegen veldonderzoek mogelijk doen toenemen; ook dat is een effect dat je zult moeten verdisconteren.
Het belang van het onderzoek is vooral gelegen in de belangwekkendheid van de te verwerven informatie. Mensen zijn er enerzijds wel van overtuigd dat hun specifieke ervaringen en gezichtspunten publiek te weinig bekend zijn, of dat er misverstanden over bestaan en er te weinig begrip voor hun levenswijze is, maar anderzijds zijn ze beducht voor een te slordige of in hun ogen onzuiver gemotiveerde onthulling. Daar kennen ze, via de massa-media, genoeg voorbeelden van. Je zou dus duidelijk moeten maken dat je je in verschillende opzichten gunstig van dit stereotiepe beeld van journalistiek te kijk zetten onderscheidt. Je neemt bij voorbeeld veel meer tijd voor je materiaalverzameling, waardoor de onderzochten je uitgebreid kunnen informeren en corrigeren. Het is jou niet om sensationele informatie te doen, maar om het verwerven van een ruim begrip van de dagelijkse gang van zaken. Je bent er niet op uit om iets te bekritiseren of op te hemelen, maar om het begrijpend te analyseren.
De onderzochten hebben veelal maar een beperkt beeld van sociaal-wetenschappelijk onderzoek, dat dan veelal neerkomt op opinie-onderzoek. Zij zullen dus vooral de daarbij passende onderzoekshandelingen verwachten: systematische ondervraging. Voldoe je daar niet aan, dan zal men andere beelden hanteren om je te plaatsen, zoals adviseur of hulpverlener, testpsycholoog of spion misschien. Je moet je in de presentatie dus ook indekken tegen de bij zulke beelden horende verwachtingen of verdenkingen.
Het gaat er dus om duidelijkheid te verschaffen over het soort informatie dat je wilt verzamelen, de wijze waarop dit wilt proberen en hoe je dat dan verder zult verwerken. Onderzochten willen vaak zo ongeveer weten wat ze zelf voor het onderzoek moeten doen: maak duidelijk dat het gaat om 'gewoon doen wat men altijd doet, alsof je er niet bij was, plus later toelichtingen op punten waarop je iets niet begrijpt of om wat achtergronden uit te leggen'. Verder wil men zo ongeveer weten hoe je de verworven informatie vastlegt en verwerkt. Leg de nadruk op het feit dat het optreden en de uitspraken van de onderzochten vooral een 'exemplarische' functie hebben. Het gaat niet precies om wie wat nu doet of zegt, maar om gedragingen en uitspraken als representanten van de algemene gang van zaken. Vertel daarom dat de informatie anoniem wordt opgeschreven en verwerkt en dat bij publicatie herkenbaarheid van personen zo veel mogelijk zal worden voorkomen. En houd je daar ook aan.
Ook ten aanzien van de analyse zullen de onderzochten uitgaan van hetgeen voor hen vanzelfsprekend is en dat is zelden dat waar het in een sociaal-wetenschappelijke analyse om gaat. In het dagelijks leven is 'onderzoek' vooral geassocieerd met beoordeling, het bepalen van geschiktheid, correctheid en het opsporen van misstanden. Je kunt wel zeggen dat het je daar niet om gaat, maar dat betekent niet dat je zonder meer geloofd wordt. Vermijdt daarom in de toelichting en het latere optreden alles wat onnodig argwanend of kritisch lijkt. Zelfs een term als 'probleem' of 'problematiek' in de beschrijving van het onderzoek kan al de indruk wekken dat je vooral uit bent op wat er 'mis' gaat.
In veel gevallen is er aanvankelijk niet zoveel weerstand en hoeft de presentatie niet zo wervend te zijn. Veel mensen vinden terecht dat andere te weinig van hun leven en opvattingen op de hoogte zijn. Als een aardig, bescheiden en begrijpende medemens aanbiedt een soort tolkfunctie te vervullen is het vaak al genoeg. Maar je moet er wel voor zorgen niet te hoge verwachtingen te wekken, zowel bij de onderzochte groepen als bij de afzonderlijke informanten. Je kunt met aandacht en geduld, zonder oordeel en belangeloos observeren, luisteren en proberen te begrijpen. Hiermee bewijs je je informanten vaak al een gewaardeerde wederdienst. Maar je moet duidelijk maken dat deze aandacht toch op verschillende manieren beperkt is, in de tijd bij voorbeeld, en dat het luisteren en het begrip niet zullen uitmonden in advies of bijstand. Daar moeten geen misverstanden over ontstaan. Je kunt dergelijke verwachtingen beter in een vroeg stadium corrigeren. Het spreekt vanzelf dat je de persoonlijke belangen van de mensen waar je te gast bent probeert te beschermen tegen mogelijke nadelen van de publieke onthulling. Praat tijdens het veldwerk zo min mogelijk over de verworven informatie, behalve met geselecteerde begeleiders en collega's. Anonimisering van alle schriftelijke materiaal is noodzakelijk en ook verder moet je proberen de herkenbaarheid te verkleinen. Het is vaak zinvol het rapport of delen daarvan in een vroege versie aan sommige onderzochten te lezen te geven. Dat kan over en weer informatief werken en onaangename verrassingen in een later stadium voorkomen.
De presentatie is dus een korte samenvatting van de bedoeling en de opzet van het onderzoek die je consequent presenteert aan alle betrokkenen. Deze presentatie dient als kapstok voor te maken afspraken en als autoriteit waarnaar je bij misverstanden en verkeerde verwachtingen kunt verwijzen en waar je je ook zelf aan moet houden. Soms is een schriftelijke presentatie, of zelf een uitwerking daarvan in een 'contract' zinvol. Bij een mondelinge presentatie aan verantwoordelijke functionarissen in een bureaucratische organisatie is een schriftelijke bevestiging achteraf vaak een goede vorm. In een meer informele sfeer kan zo'n schriftelijke presentatie kopschuw maken. Het vastleggen beperkt je manoeuvreerruimte als onderzoeker, beperk je dus waar het de details betreft.
De 'geleding' van het veld - waarover zo dadelijk meer - kan ook voor de presentatie consequenties hebben. Dezelfde presentatie kan op verschillende niveaus of bij verschillende facties heel verschillend uitwerken. Mensen in verschillende posities hebben vaak verschillende belangen en dus verschillende problemen met (het toestaan van) onderzoek. Zo zullen hoger geplaatsten vaak meer 'politieke' problemen hebben, zoals het effect op de reputatie van de organisatie, en lagergeplaatsten meer alledaags-praktische, zoals de mate van storing bij het werk (vgl. Johnson, 1975: 60-70). Er zullen in de presentatie dus verschillende soorten geruststellingen opgenomen moeten worden.
Zowel vanwege deze ongunstige uitgangspositie als vanwege het belang van het onderzoek überhaupt zie je vaak pogingen het probleem te omzeilen. Verborgen onderzoek is onderzoek waarbij dit gebeurt door de entree-vraag niet te stellen: dan kan het, eventueel negatieve, antwoord ook niet gegeven worden. De mogelijkheid dat de vraag toch, voor jou als onderzoeker onbedoeld, aan de orde komt en dan, vanwege het bedrog, met een (nog) grotere kans op een negatief antwoord, blijft als een latente dreiging voortdurend en verlammend aanwezig. Als je de strategie van de geleidelijke onthulling volgt, spreid je de vraag in de tijd waardoor je het geven van een negatief antwoord moeilijker maakt. Het is dan niet duidelijk op welk moment de vraag precies gesteld wordt en het verbreken van een relatie is nu eenmaal moeilijker dan er niet aan te beginnen. Het succes, c.q. de weerstand die wordt opgewekt, hangt onder meer af van de aard van de aanvankelijke, 'natuurlijke' aanwezigheid en de mate van de waargenomen koerswijziging.
In mijn beschouwingen over onderzoeksrelaties en het verwerven van toegang tot het onderzoeksveld heb ik in hoofdzaak onderzoek in institutioneel verband in gedachten, onderzoek 'binnen vier muren' waarbij je als onderzoeker langdurige relaties aanknoopt met de onderzochten. Vaak gaat het in kwalitatief onderzoek echter niet om zulke intensieve relaties of betreft dat maar een klein aantal deelnemers in het veld. De argumenten voor open onderzoek zijn minder relevant als het gaat om een meer vrijblijvende situatie of om deelnemers waar je als onderzoeker nauwelijks contact mee hebt. Het zou absurd zijn om in een café, een concertzaal of op straat aan alle aanwezigen toestemming voor onderzoek te vragen, maar het is vaak goed 'beheerders' van situaties en vaste bezoekers wel te laten weten wat er aan de hand is, met name als je van plan bent langdurig te observeren en/of over het onderzoek te publiceren. Voor vrijblijvende situaties, marginale relaties en incidentele observaties bij gebruik van een Hunt-and-Peck werkwijze geldt dat veel minder of in het geheel niet(3).
Het vragen om toestemming voor onderzoek is niet een eenmalige gebeurtenis, waarop het antwoord slechts 'ja' of 'nee' kan zijn, maar een (eerste) stap in een onderhandelingsproces. Die onderhandelingen kunnen op verschillende manieren verlopen. Je vraagt als onderzoeker toegang tot een beperkt domein van informatie, c.q. toestemming om verworven of te verwerven informatie elders bekend te maken. Daarmee raak je aan situatie-specifieke gevoeligheden ten aanzien van het verspreiden van informatie. Deelnemers in situaties weten altijd een heleboel van elkaar en van de plaatselijke gang van zaken, wat zonder noodzakelijk geheim te zijn toch niet echt bestemd is om openbaar gemaakt te worden, dat wil zeggen verspreid te worden los van de oorspronkelijke situatie en onder niet-deelnemers. Zolang het onderwerp 'geheimhouding' niet expliciet aan de orde is er meestal weinig aan de hand. Een verzoek om toestemming voor onderzoek plaatst het echter op de agenda en dwingt tot het formuleren van standpunten en het nemen van beslissingen. Dat kan leiden tot verstoring van evenwichten en is in ieder geval lastig. Naast zo'n algemene weerstand is er vaak sprake van twee soorten overwegingen: wat voor voordelen heeft het voor ons en hoeveel actuele of potentiële last hebben wij ervan. Ten aanzien van het eerste is het gevaarlijk te veel te beloven. Eigenlijk heb je niet meer dan een frisse blik en een belangeloze weerspiegeling te bieden. Ten aanzien van het tweede past een groot vertoon van bescheidenheid: benadruk dat het onderzoek nauwelijks verstorend zal werken en dat je weinig tijd en aandacht van de deelnemers nodig hebt, af en toe een toelichting en wat gesprekken in de pauze, hooguit aan het eind een wat langer interview.
De entree-strategie die hier naar voren komt omvat dus de volgende twee raadgevingen:
Op grond van de verkenning van het veld stippel je als onderzoeker een entree-weg uit: eerst die, dan die. Hoewel er soms risico's aan verbonden zijn, is een volgorde 'van boven naar beneden' vrijwel steeds de aangewezen weg. Vaak is het verstandig eerst contact te maken met iemand 'vlak onder' of 'opzij' van de top, hem te vragen om te adviseren bij de entree-verwerving en om je te introduceren bij de bestpassende beslisser voor zoiets. Zorg ervoor dat de adviseur iemand is met ruime toegang in de organisatie en niet iemand waartegen facties weerstanden hebben, die bij associatie op het onderzoek en de onderzoeker kunnen worden overgedragen.
Vaak zal de eerste beslisser de voorwaarde stellen dat anderen het ook goed vinden, zowel om de verantwoordelijkheid te delen als om die anderen niet voor het hoofd te stoten. Probeer er voor te zorgen dat niemand met de macht je er uit te gooien zich al te zeer gepasseerd of niet in de juiste volgorde geconsulteerd voelt. In non-profit instellingen zal er vaak sprake zijn van een collectief, zoals een stafvergadering, dat zijn fiat moet geven. Vraag dan om die vergadering zelf te mogen informeren, liefst zowel mondeling als schriftelijk. Wees geduldig om steeds maar weer het onderzoek te presenteren en beleefd medewerking te verzoeken. Bij elke volgende stap is er weer een kans op weigering of inperking van vrijheid. Vaak zal het nodig zijn zo'n beperking aanvankelijk te accepteren in de hoop later alsnog meer medewerking te verkrijgen.
Schatzman & Strauss (1973: 22) stellen terecht dat:
Entree is a continuous process of establishing and developing relationships, not alone with a chief host but with a variety of less powerful persons.Veel organisaties zijn sterk geleed: bij elke afdeling, bij elk sub-territorium moet men weer opnieuw onderhandelen.
Alle relaties zijn aan verandering onderhevig, zowel in positieve als in negatieve zin. Je kunt medewerking alsnog verwerven, maar ook verliezen. Juist omdat je via zoveel personen moet werken is de kans groot dat associatie met de één doorwerkt in de relatie met de anderen. Het is goed om steeds de eigen onafhankelijkheid te benadrukken, zowel ten aanzien van de verschillende niveaus als ten aanzien van concurrerende groepen, categorieën, personen en visies. Het fiat van de één leidt helaas vaak tot de argwaan van de ander. 'Het onderzoek dat mag van de baas' wordt maar al te gemakkelijk 'het onderzoek van en voor de baas' (c.q. de directie, het ministerie, etc.). Probeer dus steeds duidelijk te maken dat het fiat geen identificatie inhoudt, dat je geen spion bent, maar wees niet verbaasd als men met die mogelijkheid toch serieus rekening houdt.
Bij de entree-onderhandelingen of later wordt van de onderzoeker wel eens een soort tegenprestatie gevraagd. Dit kan twee vormen krijgen. Men kan je als onderzoeker toegang verschaffen op voorwaarde dat je een grotere of kleinere taak binnen de organisatie op je neemt of men kan vragen dat je als deel van je onderzoek of los daarvan bepaalde informatie verzameld die de organisatie nuttig vindt, bij voorbeeld via een kleine enquête. Instemming net zulke verzoeken is in strijd met de eerder uiteengezette minimaliseringsstrategieën, maar lijkt wat het eerste betreft vaak en wat het tweede betreft soms onvermijdelijk. Beide bedreigen je grootste goed als onderzoeker, je vrijheid, zowel letterlijk in de besteding van tijd en aandacht, als figuurlijk in de associatie met bepaalde belangen. Elke taak houdt af van andere mogelijkheden, impliceert relaties die andere belemmeren en bedreigt het beeld van onafhankelijkheid wat voor het onderzoek zo belangrijk is. Als zulke medewerking onvermijdelijk is, probeer de omvang en de zwaarte van de taak dan zo klein mogelijk te houden; liever stagiaire dan medewerker, liever huishoudelijke assistentie dan een taak met beslissingsbevoegdheid over zaken die voor deelnemers van belang zijn. Veel onderzoekers vinden het wel prettig iets om handen te hebben, maar kies dan eerder iets als de post rondbrengen dat bewegingsvrijheid verschaft en je met allerlei lieden in contact brengt.
Een belangrijk punt bij veel entree-onderhandelingen is de vertrouwelijkheid van de verkregen informatie en de publicatievorm. Ik schreef al over de geruststellingen en garanties die je als onderzoeker hierover kan en moet geven, met name wat betreft de herkenbaarheid van personen, situaties en instellingen. Een zekere herkenbaarheid is echter niet uit te sluiten, met name bij relatief unieke personen en instellingen, zeker voor publieken in of dichtbij het onderzoeksveld. Anticipeer op de grote en kleinere moeilijkheden die uit herkenning voort kunnen vloeien, onder andere door in de tekst formuleringen die als kritisch of smalend zouden kunnen overkomen te vermijden. Vaak stellen entree-beslissers het op prijs als hen beloofd wordt dat zij het concept-rapport voor publicatie mogen inzien en dat met hun eventuele op- en aanmerkingen rekening gehouden zal worden. Veel verder dan deze toezegging zou ik niet gaan. Probeer in ieder geval een contract te vermijden op grond waarvan onderzochten, c.q. mensen of instanties die 'namens hen' optreden, publicatie onmogelijk zouden kunnen maken. Een afspraak als 'alleen publicatie na instemming' heeft al menig onderzoek definitief ontoegankelijk gemaakt. Vecht voor uiteindelijke onafhankelijkheid; lukt het niet dat te garanderen, dan zou ik van onderzoek afzien.
Entree-verwerving blijft als het ware gedurende het hele onderzoek en ook daarna aan de orde, al is het slechts stilzwijgend. Het is vaak geen kwestie van een absoluut 'ja' of 'nee', maar eerder 'ja, maar ..' of 'nou goed, we zullen wel zien hoe het gaat'. De toestemming kan ingetrokken of nader geclausuleerd worden. De medewerking kan verschillen naar persoon, situatie en onderwerp. Het vergt voortdurend aandacht.
Het 'deelnemerschap' van de onderzoeker is dubbelzinnig en voor de onderzochten moeilijk te plaatsen. Dit leidt tot onzekerheid; de onderzochten weten niet goed wat ze van de onderzoeker te verwachten hebben en ook niet goed wat deze van hen verwacht. Hun reacties zijn vaak in dit licht begrijpelijk: een variabele mate van weigering, ontwijking, of proberen de onderzoekssituatie te herdefiniëren als een wél bekende (stage, hulpverlening, politie-of accountantsonderzoek, bij voorbeeld). Als onderzoeker ben je vooral in het begin veelal zelf nog onzeker in je optreden en geneer je je misschien voor je eigen voyeurisme en impertinentie. Dat kan de verleiding oproepen 'uit te wijken', moeilijke situaties uit de weg te gaan of duidelijker rollen te kiezen als 'assistent', 'hulpverlener', 'adviseur', of zelfs 'speurneus' of 'enquêteur', dat in de zin van 'verzamelaar van standpunten'. Naar mijn mening zijn dit allemaal rollen die afbreuk doen aan de mogelijkheden die de echte veldonderzoekersrol biedt. Daarom vergt het handhaven van de eigen rol regelmatig afzonderlijke aandacht, via zelfreflectie en bespreking met supervisor of collega's. Let daarbij op de 'complementaire' reacties van de onderzochten en probeer hen te helpen bij het vervullen van hun informantenrol. Het gaat in veldonderzoek om de begripvolle analyse van alledaagse leefsituaties, niet om standpunten of schandalen. Ook al zijn deze heel interessant, ze zijn pas informatief als ze ingebed kunnen worden in een stroom van meer alledaagse, onopvallende informatie.
Het is vooral in je conversatiebijdragen dat je als onderzoeker kunt proberen de onzekerheden rond marginaliteit en reciprociteit impliciet of expliciet te neutraliseren. Daarin laat je zien en leg je uit wie en wat je bent en wat men met je aan moet. En in je conversatiebijdragen geef je je belangrijkste contraprestatie: belangstelling, begrip, aandacht en acceptatie. Het is zaak over te brengen dat je de onderzochten serieus neemt, dat je de inhoud die zij aan hun leven geven probeert te begrijpen. Maar aan de andere kant moet je ook weten te relativeren, een geintje kunnen waarderen en - voorzichtig - kunnen maken. Vaak wordt de serieuzere informatie achteloos uitgewisseld, te midden van veel wat minder belangrijk is, kleine en grote grappen en grollen. Vaak zal men je 'uitproberen' door je te 'voeren' en je 'er in te laten lopen', waarbij een 'sportieve' acceptatie verlangt wordt. Daarin blijkt welke relatie-modellen men hanteert en wat de conversationele pasmunt is die in de desbetreffende levenssfeer van mond tot mond gaat. Je moet zien je daarin te voegen. Je moet dus zorgen de juiste reacties te vertonen en voldoende gespreksstof in huis te hebben: auto's, het weekend, de TV, vakantie, dat zijn algemene zaken waar je over mee moet kunnen praten. Maar er zijn meestal ook specifieke belangstellingsgebieden die in een bepaalde setting conversationeel courant zijn. Het kan extra werk vergen om daarop voldoende thuis te raken om niet met de mond vol tanden te staan.
Je moet dus materiaal hebben om al dan niet gevraagd mee te kunnen doen in de lokaal gebruikelijke conversaties. Hoewel je zult proberen zoveel mogelijk zèlf vragen te stellen in plaats van ze te beantwoorden, kan een voortdurende ontwijking van vragen en onderwerpen die door de onderzochten worden opgeworpen weerstanden wekken. Men zou kunnen denken: 'als jij je niet blootgeeft, waarom zou ik het zelf dan wel doen?'. Een controlled self-disclosure kan een goede techniek zijn om een sfeer te scheppen waarin ook de onderzochten meer over zichzelf laten weten dan ze in een formeel vraag-antwoord gesprek zullen doen. Het is moeilijk maar noodzakelijk deze zelf-expressie in de hand te houden en alleen functioneel over jezelf te praten. Pas bij voorbeeld op niet zulke informatie te verstrekken dat de onderzochten zich niet vrij voelen om wat dan ook maar over henzelf te vertellen. Als je hoog opgeeft van de eigen successen zal het de ander niet gemakkelijk vallen zijn falen te vertellen; als je zelf blijk geeft zeer streng of zeer los over bepaalde normen te denken, is de ander niet zo vrij om het omgekeerde te laten zien. Johnson (1975: 105) vermeldt dat hij steeds probeerde een middle-of-the-road strategie te volgen in zijn persoonlijke presentatie, niet te links, niet te rechts, geen uitgesproken standpunten, geen heftige opinies. Zo'n beheerste zelfonthulling dient als techniek om ruimte te scheppen in de conversatie zonder het gesprek te overheersen of mogelijkheden uit te sluiten. Heb je daar moeite mee, dan kan je proberen aan te geven dat de persoonlijke mening van jou als de onderzoeker, wat die ook moge zijn, er niet zo toe doet. Maar wees niet verbaasd als dat niet geaccepteerd wordt.
Conversatie is dus bij uitstek het milieu waarin men zowel 'deelnemerschap' als 'waarnemerschap' uitoefent. Als het goed is levert de conversatie zowel een groot deel van de gewenste informatie als juist zoveel lidmaatschap als nodig is om die informatie te verwerven. In de conversatie wordt het vertrouwen gewonnen (of verspeeld) op grond waarvan de onderzochten praten. In conversatie worden de onduidelijkheden en onzekerheden die de voortgang van het onderzoek bedreigen ten minste ten dele opgelost.
Juist omdat conversatie zo alomtegenwoordig, onvermijdelijk, alledaags en belangrijk, is vergt het hanteren ervan bewuste aandacht. Je kunt je gemakkelijk mee laten slepen en 'te ver gaan'. Dat overkomt gewone deelnemers ook, maar meestal met minder ernstige gevolgen. Bijna iedereen vertelt wel eens vertrouwelijke informatie uit conversatie A door in conversatie B, omdat het daar zo goed past, zo'n lekker verhaal is. Om de vertrouwelijkheid van B te vergroten, wordt die van A geschonden. Juist omdat je als onderzoeker zo veel belang hebt bij vertrouwelijkheid is de verleiding extra groot om deze weg te volgen. Dit kan goed gaan, maar ook zeer slecht aflopen. Het is altijd beter een beeld op te bouwen van iemand waaraan je alles kwijt kunt, maar die nooit iets doorvertelt. Vaak wordt je in dit opzicht impliciet of expliciet op de proef gesteld en neemt men je pas echt in vertrouwen als je inderdaad niet blijkt door te vertellen, met name aan hogeren of aan andere facties.
Een zekere terughoudendheid in het algemene optreden verdient daarom, zeker in het begin, de aanbeveling. Je geeft de mensen zo de tijd aan jou en het onderzoek te wennen, je stelt ze gerust en toont je een prettige gesprekspartner. Wees begrijpend en het vertrouwen waard. De moeilijker kanten van het onderzoek, de lastige vragen, het doorvragen, kun je beter tot later bewaren, als de relaties beter gevestigd zijn. Elke veldwerker heeft, vooral in het begin het gevoel 'niets te weten te komen' en neigt daardoor tot te gehaast optreden. Je zou je kunnen voornemen eerst de nadruk te leggen op de algemene oriëntatie en op het ondergaan van de sfeer en de dagelijkse gang van zaken. Een actiever, ondervragender optreden kan dan tot een tweede fase worden uitgesteld.
Het is wel goed om al vroeg allerlei schriftelijke documenten (bij voorbeeld organisatieschema's, brochures, andere studies, notulen) te raadplegen. Die informatie is toch nodig. Bovendien toont het voor de onderzochten de degelijkheid van je werkwijze als je goed op de hoogte blijkt te zijn. Kijk dus eerst wat er via documenten en vrij passieve aanwezigheid al te weten te komen is en stuif niet meteen ondervragend op de mensen af. Dit kun je ook uitleggen als men zich afvraagt wat je nu eigenlijk aan het doen bent. Je kunt vertellen dat de eerste periode er een is van inwerken, via documenten en het meemaken van de dagelijkse gang van zaken, en dat je later om aanvullende informatie en toelichting zult vragen. Ook andere meer ingrijpende onderzoekshandelingen, zoals het maken van opnamen, kun je beter uitstellen tot het moment dat men aan jou en het onderzoek gewend is. Leg steeds weer uit dat het gaat om het begrijpen van wat zich voordoet en niet om de beoordeling ervan. Mensen willen graag weten wat een buitenstaander van ze vindt en zijn vaak defensief, excuserend of al bij voorbaat in de aanval. Optreden als een passieve sfinx kan dergelijke reacties versterken. Probeer mensen dus op hun gemak te stellen, zonder dat te overdrijven.
In een tweede fase van het onderzoek kan er veel actiever gewerkt worden. Dan kun je - ten minste met sleutelinformanten - uitgesprokener zijn in wat je begrijpt en wat niet en wat je nog te weten wilt komen. In vele gevallen kun je hier met vertrouwde mensen vrij open in zijn, hen als het ware in het onderzoek betrekken en mee laten denken. Ze worden dan in zekere zin partners in het onderzoek. Het is wel zaak de positie van betrokkenen, als partijdig deelnemer, niet uit het oog te verliezen. Indien mogelijk zou je dergelijke vertrouwenslieden wat gespreid in het veld moeten zien te vinden. Deze vertrouwden kun je dan in de laatste fase ideeën voorleggen, ze eventueel concept-verslagen laten lezen en de rapportage met ze bespreken. Zij kunnen op feitelijke vergissingen attenderen en je confronteren met inheemse visies op het onderzochte. Zij kunnen helpen met het voorzien van reacties uit het veld, zodat daar rekening mee gehouden kan worden. Het kan nodig zijn formuleringen te herzien, sommige punten extra uit te leggen of mensen persoonlijk voor te bereiden op wat komen gaat. De schok die publicatie toch meestal met zich meebrengt kan dan beter worden opgevangen. Die 'schok' kan op vele manieren blijken. Verontwaardigde protesten, kille negatie, 'er staat niets in wat we niet zelf al wisten', of bezwaren tegen feitelijke details, alles is mogelijk. Dergelijke reacties hebben zowel een cognitieve als een relationele kant. Het zou onjuist zijn één van beide te verwaarlozen (Brunt, 1975; McCall & Simmons, 1969: 258-89; Vidich, Bensman & Stein, 1964: 265-349).
De onderzoeker is niet de enige initiatiefnemer in het veld. Vaak bieden leden zichzelf aan als hulp, raadgever of informant. Elk veld is een arena waarbinnen de aanwezigen elk met hun eigen politieke spel bezig zijn. Daarbij zal elk nieuw feit, zoals de entree van een onderzoeker, in de lopende zaken wordt ingepast. Vooral in het begin zul je vaak blij zijn met elk aanbod. Maar het is zaak toch ook dan al alert te zijn op mogelijke nadelen van 'gebruikt te worden' voor een inheemse strategie, bij voorbeeld passend in een prestige-strijd die jij niet kent (vgl. Glazer, 1972, voor diverse voorbeelden). Het zijn vaak marginale figuren in hun eigen groep, die het eerste aansluiting zoeken bij de onderzoeker. Enerzijds kan dit gunstig zijn, omdat ze vanuit zo'n positie vaak een scherpe blik hebben op het veld en omdat ze een goede tolk kunnen zijn, letterlijk en figuurlijk. Anderzijds kan een zichtbare associatie met marginalen de bereidwilligheid van anderen om aan het onderzoek mee te werken beperken. En mogelijk zijn die belangrijker voor het onderzoek. Het is goed hierop te letten, enige terughoudendheid te betrachten en vanaf het begin te proberen de contacten goed te spreiden en je niet 'ingepakt' af te laten voeren naar een geïsoleerd deel van het veld waar je je niet zonder moeite uit zult kunnen losmaken.
Naast extra positieve relaties zul je als onderzoeker in vele gevallen ook te maken krijgen met extra negatieve contacten. Er zullen vaak enkele mensen zijn die om welke reden dan ook bezwaren hebben tegen jou en/of je onderzoek, die het onderzoek niet kunnen verhinderen, maar wel kunnen belemmeren. Zulke bezwaren kun je niet altijd neutraliseren. Die mensen kunnen blijven ageren en in ieder geval zullen ze persoonlijk niet willen meewerken aan het onderzoek (vgl. Johnson, 1975). Je kunt je dan in eerste instantie concentreren op het 'in het veld blijven', om later eventueel nog te proberen een relatie met die mensen op te bouwen. Ook bij minder sterke afweer lijkt het verstandig de mensen de tijd te geven. Als ze zich op bepaalde punten weerbarstig tonen, is het beter dat te laten rusten en er eventueel pas later op terug te komen. Je moet niet iedereen in het veld meteen en volledig willen veroveren. Relaties zijn nooit definitief zus of zo; er is altijd verbetering, verslechtering of een andere verandering mogelijk.
De ideale oplossing van de relatieproblemen die zich voordoen bij veldonderzoek zou resulteren in de situatie dat je altijd terug zou kunnen komen. Zorg dat het onderzoek zo min mogelijk bijdraagt tot het grote reservoir van argwaan en scepsis ten aanzien van sociaal-wetenschappelijk onderzoek. Probeer de onderzoeksrelaties zo te behartigen dat niet anderen later geweigerd worden wegens jouw optreden. Een negatieve ervaring wordt nu eenmaal sneller gegeneraliseerd en doorverteld dan een positieve.
Begin tijdig met de aankondiging van het aanstaande vertrek. Men heeft dan de gelegenheid zich er op in te stellen en er eventueel eens over te praten. Het lijkt goed om enige tijd na die aankondiging maar voor het feitelijke vertrek nog eens bij iedereen, ten minste bij de belangrijkste informanten, langs te gaan om het vertrek en daarmee de balans van de bijna voorbije periode aan de orde te stellen. Ook wat er dan gezegd wordt is informatief. Vergeet niet veel waardering uit te spreken voor de gastvrijheid en de gegeven informatie. Probeer niemand over te slaan die zich daardoor gepasseerd zou kunnen voelen.
Als je de veldwerkperiode afsluit met een serie meer officiële interviews vallen deze en het afscheid min of meer samen. Probeer dan met name ook tijd te reserveren voor dingen die de informant zèlf in het interview kwijt wil en niet alleen te praten over onderwerpen die jij als onderzoeker aan de orde stelt. Het nadere afscheid kan opmerkingen 'die men altijd al een keer had willen maken' losmaken; probeer die te verzamelen.
Na het vertrek, komen veel onderzoekers, 'nog wel eens langs'; vaak minder dan ze van plan waren. Dat kunnen moeizame ontmoetingen worden, omdat de ondersteunende routine ontbreekt en de dubbelzinnigheid van het afscheid weer even naar voren komt. Soms heb je behoefte aan nadere informatie, of wil je bij de analyse opgekomen ideeën bespreken. Probeer, als het rapport gepubliceerd wordt, of in het veld verspreid, zelf de commentaren te verzamelen, ook al is dat misschien pijnlijk.
Veldwerkrelaties zijn ongewoon, ze zijn moeilijk voor beide partijen. Maar toch zijn de eisen, die een goed beheer van veldwerkrelaties aan jou als onderzoeker stelt, niet zo erg verschillend van wat voor sociaal verkeer in het algemeen nodig is: je inleven in anderen, hen de ruimte geven voor eigen meningen en de expressie daarvan en een algemeen respect voor ieders integriteit. Het bijzondere zit hem vooral in de beperkingen die de veldonderzoeker zichzelf oplegt: de algemene terughoudendheid in zijn optreden. Dat is moeilijk voor beide partijen. Voor de onderzoeker vergt het vooral beheersing, tact en vooral geduld hebben als het allemaal niet opschiet. Om dat allemaal vol te houden is het noodzakelijk dat je ook andere mensen hebt om mee om te gaan, vrienden, collega's, begeleiding, waarmee de frustraties van het veldwerk besproken kunnen worden en waarmee je het ook eens over iets anders kunt hebben.
Een tweede type beperking betreft het relatie-model waar ik vanuit gegaan ben, dat is overwegend 'coöperatief' van aard. Ik heb onderzoek in hoofdzaak beschreven als het verwerven van informatie op basis van de vrijwillige medewerking van de onderzochten. Dit uitgangspunt is naïef genoemd door hen die zeggen een 'conflict-model' te hanteren, waarbij men zich met name op Douglas (1976) beroept. Dat lijkt me een wat opgeklopte tegenstelling. 'Onthullingsonderzoek' heeft maar een beperkte relevantie. Meestal zullen onderzoekers toch een zekere samenwerking met onderzochten moeten aangaan, en dat sluit een zinvol gebruik van achterdocht tegenover de 'schijn' die mensen presenteren geenszins uit. Het sociale leven speelt zich uiteindelijk af in en door wat mensen elkaar laten zien. En als je je als onderzoeker onder de mensen mengt, dan onderzoek je dat. Er is altijd meer, er zijn altijd geheimen, maar voor de meeste onderwerpen van sociologisch onderzoek is dat genoeg.
2. Veel hangt natuurlijk af van de lokale politieke verhoudingen en de aard van de onderzochte groep; vaak zijn de leden die een globale verantwoordelijkheid dragen het lastigst. Bij groepen die veel te verbergen hebben kunnen bijzondere onthullingstechnieken overwogen worden (vgl. Douglas, 1976).
3. Vgl. een uitspraak van de Beroepscommissie Beroepscode
van de Nederlandse Sociologische en Antropologische Vereniging, weergegeven
in Sociodrome 1990/1, p. 14. Daarin wordt wel de nadruk gelegd op
het garanderen van de anonimiteit van de onderzochten.
Brunt, L.N.J. (1975 ) 'On rule and reality of publishing ethnographic research data'. In: P. Kloos & K.W. van der Veen, eds. Rule and reality: Essays in honour of André J.F. Köbben. Amsterdam: Antropologisch-Sociologisch Centrum: 17-28
Douglas, J.D. (1976 ) Investigative social research: individual and team field research. London: Sage
Glazer, M. (1972 ) The research adventure: promise and problems of field work. New York: Random House
Goffman, E. (1961 ) Asylums: essays on the social situation of mental patients and other inmates. Garden City, N.Y.: Doubleday (ook in Penguin)
Gouldner, A.W. (1973 ) For sociology: Renewal and critique in sociology today. Harmondsworth: Penguin
Have, P. ten (1977 ) Sociologisch veldonderzoek. Meppel: Boom
Homans, G.C. (1961 ) Social behaviour: It's elementary forms. London: Routledge & Kegan Paul
Johnson, J.M. (1975 ) Doing field research. New York: Free Press
Komter, M. (1981) 'Solliciteren naar moeilijkheden', Sociologische Gids 28: 296-81
McCall, G.J., J.L. Simmons (1969 ) Issues in participant observation: a text and reader. Reading, Mass.: Addison-Wesley
Schatzman, L., A.L. Strauss (1973 ) Field research: strategies for a natural sociology. Englewood Cliffs, N.J.: Prentice-Hall
Schwartz, H., J. Jacobs (1979 ) Qualitative sociology: a method to the madness. New York: Free Press
Vidich, A., J. Bensman, M. Stein, eds. (1964 ) Reflections on community studies. New York: Wiley