Architectuur in Praag

* Rotislav Svácha, The Architecture of New Prague 1895-1945.
Translated by Alexandra Büchler, photography by Jan Maly, foreword by Kenneth Frampton, essay by Eric Dluhosch, Cambrigde Mass./London UK: MIT Press, 1995.

De stad Praag als kunstwerk? Zijn bijzondere ligging aan de Moldau, de kleuren van de stad in de verschillende jaargetijden en zijn organisch ogende structuur spreken zeer tot de verbeelding. Immers, uitkijkend over de stad zie je de gebouwen uit verschillende eeuwen zo dicht opeengepakt dat de cultuurgeschiedenis bijna letterlijk op straat ligt. Kafka is niet denkbaar zonder die stad. Wie is er niet een keer op 'Spurensuche' gegaan? Een wandeling door de straatjes van de Malá Strana in de nazomerse avondschemering kan meer dan een romantische ervaring zijn. Al wandelend vind je de rust om in gedachten terug te gaan naar de tijd dat Kafka hier ook rondliep.

Als je de stad nauwkeuriger bekijkt, blijkt het gevoel dat hij 'gegroeid' is bedrieglijk. Ook Praag kent in zijn stedebouwkundige ontwikkeling perioden van grote, bewust geplande veranderingen. Diegenen die zich in de architectonische en stedebouwkundige geschiedenis van het moderne Praag willen verdiepen, kunnen sinds enige tijd hun hart ophalen aan de prachtige studie The Architecture of New Prague 1895 - 1945.De auteur, Rotislav Svácha, is als onderzoeker verbonden aan het Instituut voor Kunstgeschiedenis van de Akademie der Wetenschappen in Praag. Zijn liefde voor en grote kennis van die stad krijgt vorm in dit standaardwerk, ondersteund door de vele foto's van Jan Maly.

In een inleidend opstel worden in grote lijnen de belangrijkste perioden van de Praagse architectuur geschetst: de Middeleeuwen vormden een hoogtepunt met bouwwerken in gotische stijl; in de eerste helft van de achttiende eeuw begon het tweede belangrijke tijdperk, de hoogbarok; en de eerste vier decennia van de twintigste eeuw lieten een grote vernieuwingsgolf zien.

Deze laatste periode wordt in het boek overzichtelijk gestructureerd behandeld. Doordat voor een indeling aan de hand van kunsthistorische stromingen is gekozen, komt ook de dynamiek tussen de soms nogal rivaliserende architecten in beeld. Boeiend is vooral de toen grenzenloze uitwisseling van ideeën. Dat in Praag het creatieve denken uit het Wenen van de eeuwwisseling een rol speelt ligt voor de hand, maar de blik is letterlijk op heel Europa gericht. Om slechts enkele invloeden te noemen: het werk van de in zijn tijd zeer vernieuwende Weense architect Adolf Loos speelde een rol, maar ook stromingen in de beeldende kunst als het expressionisme en het latere kubisme uit het toonaangevende Parijs vonden aanhangers onder de Praagse architecten. In 1921 beïnvloedt het werk van J.J.P. Oud in Nederland en Le Corbusier in Frankrijk het denken van de architecten, kunsthistorici en dichters die in Praag het purist-functionalist architectuurmodel ontwikkelden en realiseerden. Ook de ideeën van Hannes Meyer, de in 1930 wegens zijn marxistische opvattingen als directeur van het Bauhaus in Dessau ontslagen architect, zijn voor de toenmalige Tsjechische avantgarde architecten van belang. Meyer's ideeën maakten onder meer indruk op Jaromír Krejcar, de tweede echtgenoot van Kafka's vriendin Milena Jesenská. Het kunstenaarsgenootschap Devìtsil was een van de toonaangevende centra van deze vernieuwingsdrift.

De jaren twintig worden bepaald door het herstellen van de gevolgen van de Eerste Wereldoorlog en de ontwikkeling van Praag tot hoofdstad van de nieuwe Tsjechoslowaakse republiek. In de jaren dertig zijn veel Tsjechische architecten ervan overtuigd dat sociale veranderingen noodzakelijk zijn. Dit maatschappelijke engagement kwam tot uiting in hun ontwerpen voor huizen, appartementen en openbare gebouwen en het stedenbouwkundige debat. Een belangrijke factor bij zo'n grote experimenteerlust en vernieuwingsdrang zijn kapitaalkrachtige opdrachtgevers, die in deze ontwerpen zijn geïnteresseerd. Grensverleggende architecten kunnen meestal niet zonder maecenassen. De experimentele privéhuizen hebben een voorbeeldfunctie. Geleidelijk raken bepaalde vormen en concepten zo ingeburgerd en geaccepteerd dat ze ook voor grote overheidsgebouwen en sociale woningbouw toepasbaar zijn.

Het boek concentreert zich op de periode van 1895-1945. Tijdens het lezen blijkt hoe misplaatst de idee van organische groei is. Er worden aan het einde van de negentiende eeuw stevige stadssaneringen doorgevoerd waarbij belangrijke wijken van Praag zoals het ghetto niet worden ontzien en verdwijnen. Ze leven alleen nog voort in de herinnering. De sociale veranderingen door de toestromende mensen op zoek naar werk hebben invloed op het huisvestingsvraagstuk in de stad. Na 1918 krijgt Praag als hoofdstad toegevoegde waarde: er moeten dus prestige bouwwerken worden neergezet die een visueel bindende symboolfunctie voor de nieuwe staat opleveren. De afdeling planologie van de stad moet in die tijd veel te doen hebben gehad.

Aangezien de auteur van professie kunsthistoricus is, wordt veel nadruk gelegd op de theoretische debatten over samenhang tussen architectuur, kunst, filosofie en sociologie. De indeling naar kunsthistorische stromingen levert direct herkenbare aanknopingspunten op, zodat je nieuwsgierig wordt naar de gebouwen zelf.

Een vriend van Kafka, de kunsthistoricus Oskar Pollak, schreef onder meer over Barokarchitectuur. Ze zullen regelmatig over dit soort onderwerpen van gedachten gewisseld hebben. Kafka heeft zelf de sanering van het ghetto meegemaakt. Binder beschrijft de ravage in de Praagse binnenstad als volgt:

'In der Prager Altstadt wurde zwischen 1895-1905 die einschneidende Maßnahme der sogenannten Assanierung der ehemaligen Judenstadt durchgeführt, ein bewußt ahistorischer Kahlschlag, den nur wenige Baudenkmäler (das Rathaus, die Altneusynagoge und der freilich drastisch verkleinerte alte Friedhof) überlebten; ihr fiel auch die jahrhundertealte Geschlossenheit des Altstädter Rings zum Opfer, der an der Westseite zugunsten der sinnlosen Schneise für die repräsentative Niklasstraße aufgebrochen wurde.' KH1, 58.

Uit zijn werk blijkt hoe nauwkeurig Kafka ruimtes en gebouwen waarnam. Hij kan met grote precisie kamers, gangen en trappen in woonhuizen, openbare gebouwen en kastelen beschrijven. In Die Verwandlung bijvoorbeeld zo nauwkeurig dat Nabokov tijdens zijn college's over deze tekst een uitgewerkte plattegrond van het appartement presenteerde. Bovendien heeft Kafka een geheel eigen gevoel voor topografie en ruimte dat bijdraagt tot de vaak zo specifieke sfeer van zoekende, rondzwervende personages in zijn werk.

'Und die Menschen gehn in Kleidern
schwankend auf dem Kies spazieren
unter diesem großen Himmel,
der von Hügeln in der Ferne
sich zu fernen Hügeln breitet.'


Misschien is de eenzame landmeter K. ook te duiden als strijder tegen de 'Stadtverwaltung' van Praag: de 'Dienststelle' planologie, de 'zuständige Behörde' voor de uitgevoerde stadssanering.

'Vor langer Zeit, ich war damals erst einige Monate Vorsteher, kam ein Erlaß, ich weiß nicht mehr von welcher Abteilung, in welchem in der den Herren dort eigentümlichen kategorischen Art mitgeteilt war, daß ein Landvermesser berufen werden solle und der Gemeinde aufgetragen war, alle für seine Arbeiten notwendigen Pläne und Aufzeichnungen bereit zu halten. Dieser Erlaß kann natürlich nicht Sie betroffen haben, denn das war vor vielen Jahren und ich hätte mich nicht daran erinnert, wenn ich nicht jetzt krank wäre und im Bett über die lächerlichsten Dinge nachzudenken Zeit genug hätte.' (Sk, 96)

De studie is in een verzorgde hardcover editie verschenen. Bovendien is op de details gelet: er is een register van de besproken gebouwen met straatnamen, zodat de stadswandelaar ze nu terug kan vinden als ze nog bestaan, er is een biografisch overzicht van de belangrijkste architecten en een index ontbreekt ook niet. De studie is een must read voor echte architectuurliefhebbers en een verrijkend achtergrondboek over Praag in de eerste helft van de twintigste eeuw.

Andrea D. Wolff
KH 1 Kafka Handbuch in zwei Bänden. Hrsg. H. Binder. Stuttgart, 1979.
Sk Das Schloß, Roman [Krit. Ausg.]. Frankfurt/M.,1982.